Veenkerken in Drenthe

“Wild en woest en ledig lag het ruwe veen. Slechts de heide vlocht er kransen overheen”. Met deze zinnen begint het bijna anderhalve eeuw oude Veenkoloniale Volkslied van Antony Winkler Prins, de Veendammer predikant die nog steeds bekend is vanwege zijn encyclopedie.

Menig Drent uit de Gronings-Drentse Veenkoloniën kent de tekst, drie strofen lang. Overigens kennen we in Drenthe meer veenkoloniën, zo liggen er ook concentraties rond Emmen, Hoogeveen en Smilde. Tijdens de veenontginningen ontstonden in deze gebieden ‘veenkerken’, gebouwtjes voor de gelovige veenarbeiders waardoor zij geen uren hoefden te lopen naar een gebedshuis in een vergelegen dorp.

De verveningsgeschiedenis van Drenthe is vooral bekend als de geschiedenis van kapitaalkrachtige ondernemers die vanaf de zeventiende eeuw, maar vooral eind negentiende - begin twintigste eeuw het land grootschalig ontgonnen.

Minder bekend is dat al in de Middeleeuwen veenontginningen ter hand waren genomen. Zoals door Aduarder monniken bij Zuidlaarderveen, dat toen nog Everswolde heette. Een randveenontginning, waarbij de aan een zandrug grenzende betrekkelijk dunne rand van een uitgestrekt veengebied in cultuur werd gebracht.

Bron: Kwartaalblad 43 van Stichting Het Drentse Landschap (september 2004)

Meer lezen? Download pdf-bestand